Lezers,

 

De avond valt over een onstuimig Den Haag. De Stormwind trekt verder aan met het vervliegen van de laatste beetjes daglicht. Kalm sluit ik de voordeur achter me en zet het aktekoffertje naast de koperen paraplubak, de autosleutels in de schaal op het kastje in de hal. ‘Het is Zover’. Verbaasd over het hervonden gevoel van rust hang ik mijn jasje op een hangertje. Mobieltje uit, das af, manchetknopen los, overhemd in de wasmand.  Ik loop de gang weer in. In het voorbijgaan bewonder ik de getaande torso in de spiegel. Ik span mijn borstspieren even aan en kan tenauwernood een grommend geluid onderdrukken.

 

De traptreden kraken als ik afdaal in de halfduistere kelder. Stilte. Alleen het geluid van de regen die als zweepslagen tegen het kelderraampje slaat. Ik loop naar het verste eind van de ruimte, verplaats de tuinstoelen en til in een soepele beweging de voorraadkast opzij. Slechts een blikje erwten en worteltjes grijpt deze stoutmoedigheid aan om zich in een vrije val naar de kale, betonnen keldervloer te werpen. Ik vang hem in een reflex op met mijn glimmende Van Liers. ‘Soepel. Scherp.’ Dan verleg ik mijn aandacht naar de roestige stalen deur die met het verplaatsen van de kast is vrijgekomen. Instinctief gaan mijn vingers over het stoffige randje boven de deur vlak onder het plafond. Het begin van een grijns is van mijn gezicht te lezen als ik het koude metaal van de oude sleutel onder mijn vingers voel.

 

De geur van vocht en oude kolen komt me tegemoet als ik de kale stenen ruimte binnenloop. De fakkels naast de deur knetteren een paar keer hard als ik ze ontsteek, herwinnen dan het verloren gegane zelfvertrouwen en richten zich vol overgave op het verjagen van het duister. Het duurt niet lang of ik heb ook de met grote stenen omgeven vuurpot in het midden van de ruimte weer ontwaakt. Ik voel onmiddellijk hoe de hitte van het vuur brandt op mijn naakte huid. Dan verleg ik mijn aandacht naar de wanden. Van enige afstand laat ik mijn ogen geconcentreerd over de houten wandrekken gaan. Dan houden ze stil. Dit keer kan ik een grom niet onderdrukken. Hoe indrukwekkend hij ook altijd in de herinnering blijft, niets haalt het bij het gevoel van ontzag dat hij in werkelijkheid losmaakt. De Bijl die de Familie in 498 veroverde op een of andere Viking, die zijn dag duidelijk niet had. Een forse steel van ruim anderhalve meter van god-mag-weten wat voor Oerhout.  Hard en onbreekbaar als staal. Aan het uiteinde twee koppen van dof staal. Dof, met uitzondering van de vlijmscherpe randen. Ik pak hem op en voel hoe het gewicht mijn armspieren doet aanspannen.

 

De zware hamer komt keer op keer neer op het roodgloeiende staal. Zweet loopt over mijn gezwollen nekspieren. De Bijl laat zich gewillig aanscherpen tussen Hamer en Aambeeld. Het geluid van staal op staal weerkaatst hard op de kale muren. De deurbel. Ik schrik op uit mijn meditatieve geros. Laat de bijl los en zet koers naar de keldertrap. Onderweg gris ik een met robijnen ingelegde dolk van het rek. Weer de bel. ‘Vast die focking buurman weer. Altijd met zijn geluidsoverlast!’ Ongewild klemmen mijn vingers zich steviger om de dolk. Halverwege de keldertrap kom ik tot inkeer en voel de frustratie weer plaatsmaken voor de Kalmte. Het laatste beetje frustratie raak ik kwijt door de dolk met veel kracht in het hout van de laatste traptrede te slaan. Ik keer terug naar de kelder, pak de nog nagloeiende bijl en houdt hem met de stalen kop in de grote bak water naast de vuurpot. Het water begint wild te borrelen alsof het zich verslikt in het gloeiend hete staal.

 

Ik doe de kelderdeur weer achter me dicht en werp wederom een blik in de spiegel. Tevreden. Klaar. Lange strengen donker haar plakken tegen mijn bezwete gelaat. Het plaatstaal van de schouderstukken werpt een spookachtig licht over mijn wangen. Ik houd de bijl schuin voor mijn lijf zodat deze ook in het spiegelbeeld te zien is. Ik span de met leer omspannen biceps aan en maak een stotende beweging met de bijl. ‘Rock ‘n Roll!’. Dan valt mijn oog op de Ikea-wandklok in de hal. Half twaalf. ‘Let’s go.’

 

Mijn zware laarzen klinken luid op het asfalt als ik tussen de geparkeerde auto’s door de Fahrenheitstraat oversteek. Maar lang voordat het geluid de donkere gevels bereikt wordt het door de onvermoeibare wind opgepikt en weggevoerd. Ik loop westwaards, langs het ziekenhuis. Geen hond op straat. Ik loop de Nachtegaallaan af en loop het bos in. Nog steeds die Kalmte. Kalm, maar met een groeiende alertheid. De zware geur van het natte nachtelijke duinbos omsluit me. Ik steek de Nieboerweg over en het bos weer in. Dieper de duinen in. Op het gevoel.

 

Ik was er al vaker langsgefietst in de zomer, maar nu voelde ik het pas. ‘Hier is het. Dat ik dat niet eerder bedacht had…’ Ik bereik de top van het hoogste duin en kijk om me heen. Elke vezel gespannen nu. De storm licht in de verte bliksemend de Noordzee op. Een plotseling gevoel van verbondenheid met de woeste golven. Nog geen spoor van de Ander. Zou hij wel komen? Natuurlijk komt Hij. Ze zijn er Allemaal vanavond. In het hele land zijn ze door de storm aangewakkerd en op weg naar hun Ontmoeting. Of het nou is naar een havenhoofd in Rotterdam, of naar de brug over de IJssel bij Deventer. Ze zijn onderweg.

 

Dan gekraak in het kreupelhout onder aan de heuvel. Een bliksemflits reflecteert op een reuzachtig zwaard. Een oerschreeuw. Ik adem diep in, hef mijn Bijl hoog de nachtelijke hemel in en schreeuw uit de diepste krochten van mijn zijn: ‘There can be only One!!!!’ 

 

*** Queen - Gimme The Prize
*** Dio - Stand Up And Shout
*** Ozzy Osbourne - Mr.Crowley
*** Iron Maiden - Only The Good Die Young
*** Whitesnake - Judgement Day
*** Megadeth - Hangar 18
*** Type O Negative - Black No.1
*** The Cult - Rain
*** Gary Moore & Phil Lynott - Out In The Fields
*** Ozzy Osbourne - Gets Me Through
*** Iron Maiden - Fear Of The Dark
*** Accept - Balls To The Wall
*** Judas Priest - Breaking The Law