Stel je voor: die buurman van een paar huizen verderop- doet iets bij een installatiebedrijf ofzo; beetje sjofel, maar groet wel altijd vriendelijk als ie z’n hondje uitlaat- leidt een dubbelleven. Hij heeft namelijk, nog van de MULO van vroeger, een paar begenadigde muzikanten in zijn vriendenkring. En zelf een gouden strot, met Soul, véél Soul.

Samen hebben ze al sinds midden jaren ’70 een band, maar hoewel ze de sterren van de hemel spelen en innig hebben samengewerkt met een paar Heel Grote Namen- je buurman mag ze gewoon Jon, Steve, Bruce en Nile noemen- is het Grote Succes uitgebleven.

Waardoor dat komt kan niemand echt verklaren. Waarschijnlijk vooral een kwestie van domme pech- begin jaren ’90 ging midden in een zeer succesvolle wereldtoernee de platenmaatschappij op de fles- en ongelukkige timing. Zelf vinden ze dat natuurlijk jammer,maar het is ze niet aan te zien.

Echt rijk is ie er dus ook nooit van geworden. Dat kon ook niet, als je die achtkoppige band mee op tour moet nemen. En reken maar dat de barrekeningen na afloop altijd weer tegenvallen. Vooral de vier blazers lusten wel een slok, zoals blazers betaamt. Maar gezellig is het wel!

En gezellig wás het, gisteravond in Paradiso met Southside Johnny & The Asbury Jukes. Een weerzien ook: ze komen bijna elk jaar, helemaal vanuit New Jersey.

Wat het is: Soul, Blues en Rock, met Hoofdletters. Hoe het klinkt: Phil Spector meets Booker T and the MG’s. Of nog beter: The E-Street Band zonder sterallures. Maar eigenlijk gewoon authentiek als The Jukes: een club vrienden die na vijfendertig jaar samen nog steeds vreselijk veel plezier beleven op het podium.

Dampend, stampend, deinend en jankend. Van zichtbaar getergd tot uitgelaten baldadig en op het randje van krankzinnig. Johnny meende de Paus in het publiek te ontwaren. Maar dat niet alleen. De lijnen met het Hiernamaals zijn in zo’n kerk natuurlijk erg kort: ik zweer, broeders en zusters, dat de geest van Otis nog even in ons kwam gisteravond.

Havin’a Party