Dat

Dat de verbazing plotsling doorbreekt
Van de schoonheid van je zijn.
Dat elke zin die je uitspreekt
Raakt als het allermooist refrein.

Dat elk woord dat ik wil uiten
Lijkt vast te roesten in mijn mond.
Ik het liefst nu vlucht naar buiten
Maar sta als genageld aan de grond.

Dat je me martelt met je lach
Terwijl je ogen me doorboren
En me doen smeken naar de dag
Dat ik bij je mag horen.

Dat plots niets er meer toe doet.
Alles om me heen verdwijnt. 
Mijn wereld siddert in je gloed
Die meedogenloos op me schijnt.

Dat het niet uitmaakt zon of regen,
Of dat alles door noodweer is ontwricht.
Al heb ik windkracht twaalf tegen,
Er is toch een lach op mijn gezicht.

Dat ik nauwelijks kan verklaren
Wat je allemaal met me doet,
Maar, en dat is dus het rare, 
Het ook niet voelt alsof dat moet.

Dat,

Dat heb ik nou bij jou…

-Marc, augustus 2008-