tijd de; m -en
1 opeenvolging van ogenblikken; tijdsverloop, tijdsduur of tijdstip: na verloop van ~; op ~ beginnen tijdig; te allen ~e altijd; te zijner ~ als het zover is; over ~ zijn te laat zijn, m.n. bij het uitblijven vd menstruatie; uit de ~ verouderd
2 (taalk) vorm ve werkwoord ter aanduiding ve tijd vd handeling in het heden, het verleden of de toekomst: de tegenwoordige, verleden, toekomende ~

Pink Floyd – Time

The Rolling Stones – Time Is On My Side
Skid Row – Wasted Time