Ik ben weer eens iets kwijt. Niks ernstigs gelukkig- niet m’n geheugen, verstand of mijn vrouw- maar gewoon spullen.

Wel belangrijke spullen, trouwens. Twee boekjes om precies te zijn, die ik moet lezen voor een heisessie met collega’s morgen. En ik moet daar ook nog recensies over schrijven. Ik ga als organisator van de heidag af als een gieter als ik ze niet lees.

Ik weet zéker dat ze hier moeten liggen, want ik heb ze afgelopen zondagmiddag nog doorgebladerd. Maar het is hier in huis ook zo’n zooitje.

Nee, sorry, dat neem ik terug. Het is namelijk niet waar. Het is veel problematischer: er is hier de afgelopen dagen keurig opgeruimd.

Jawel: Op. Ge. Ruimd.

Toen ik me dat na drie kwartier koortsachtig zoeken realiseerde, ben ik maar opgehouden. Want nu ben ik kansloos.

Ik voel me een beetje bezwaard om vervelend te doen over het opruimen hier in huis, want ik besef me terdege dat ik dan per definitie naar anderen wijs. Ik ruim hier namelijk niks op.

Volgens mijn vrouw kan ik met mijn spullen toveren- al denk ik niet dat ze het echt meent: mijn sokken lopen op eigen kracht naar de wasmand, de gelezen kranten vliegen zelf in de oudpapierbak, en zelfs mijn overhemden liggen de ene dag op de vloer en hangen de volgende gewassen en gestreken in de kast.

Mijn kinderen toveren ook met mijn spullen. Ze zijn vooral bedreven in de grote verdwijntruc. In de ochtendspits is succes verzekerd: de autosleutels in de convectorput, mijn mobieltje in de doos met Duplo, en de magneetsleutel van de parkeergarage in…tja, waar ligt dat ding eigenlijk?!

Nou ja, het zijn maar spullen.

Speciaal voor mijn zoon- uiteraard onvervangbaar- die morgen zijn vierde verjaardag viert: Toveren van Herman van Veen. Blijf erin geloven, kerel!