tijd

 

Iedere morgen fiets ik op mijn gele oma-fiets naar mijn werk. De eerste drie minuten van mijn route bestaan uit een klim, het fietsviaduct op. Als ik hijgerig boven ben gekomen, staat daar steevast een man. Petje, driekwart broek, oranje sokken en een wit hondje. Afhankelijk van de tijd waarop ik bovenaan ‘de bult’ (zoals het fietsviaduct in de volksmond wordt genoemd) arriveer, ligt het hondje als een jachtluipaard te wachten, of is het als een bezetene aan het blaffen tegen een trein die onder de bult door giert. De man zingt gedurende dit tafereel een onverstaanbaar liedje.

 

De eerste dag dat ik dit meemaakte, ongeveer een half jaar geleden (sinds ik deze route fiets) dacht ik: ‘wat een rare man’ en fietste door.

Op de tweede dag drong tot me door ‘hee, daar staat dezelfde man. Weer oranje sokken.’

De derde dag bekroop me een wat ongemakkelijk onderbuikgevoel: ‘Help, ik maak toch geen deel uit van een ritueel?’ En sinds de vierde dag heb ik ’s ochtends de kriebels. Ik ben beland in een mystieke ceremonie van oranje sokken, vaag gezang en dat keffende witte hondje. En het ergste is; omdat ik zelf ook iedere dag tussen 8.00 en 8.10 over de bult fiets, maak ik er nu officieus deel van uit. Net als de man die vanaf de andere kant de bult op komt fietsen en die ik ergens tijdens mijn klim, afdaling, of op de brug tref, strak voor zich uitkijkend.

 

Voor iemand die wars is van ceremonies is dit een griezelig besef. Ik wil altijd vooruitgang, verandering en zo’n dagelijks terugkerend ritueel, doordrenkt van dwangmatig handelen, staat voor mij gelijk aan stilstand en dus de dood. Ik krijg het gevoel van een vis die cirkels zwemt in zijn kom. Steeds weer hetzelfde tegenkomt, het ook steeds weer vergeet, waardoor de dagen en dus het leven kort is. Of juist lang en langzaam omdat de sleur levenloosheid benadrukt.

 

‘Herfst – dat is het einde van het leven

Alleen twee benen en een stok

Niets meer om weg te geven

Dan de laatste tiken van de klok’

(Louis Lemaire)

 

Het begint wel iets te wennen, het ritueel. De kriebels zijn er iets vanaf, nu ik weet wat ik kan verwachten. Daarin had Arthur Japin gelijk toen hij schreef: ‘Tradities behouden hun vorm, maar verliezen hun kracht’ (Japin, de zwarte met het witte hart, p.159). Nog steeds zijn daar iedere dag het petje, de sokken, de broek en het hondje, maar het geheel is enigszins ontzenuwd. Ik kijk er naar en fiets verder, zonder dat het me naar de keel vliegt.

 

De enige gedachte die me nu nog opdringt is: zou het me eigenlijk wel opvallen als het ritueel werd doorbroken? Zou ik het merken als meneer ziek is, of het hondje dood gaat? Of zou het me ontgaan en zouden deze man en zijn hondje niet meer blijken dan een luchtbel? En zou dat ook gelden voor de andere fietsers die ongewild onderdeel zijn gaan uitmaken van dit ritueel? Wat heeft een leven dan nog voor betekenis?

 

TikTak…TikTak…

 

klokken tikken tijd voorbij

tot alleen de tijd nog is

en wij verdwenen zijn.