Lezers,

Vanwege het Sinterklaasfeest mocht uw Redactie vandaag eerder naar huis. Bijtijds bevonden wij ons dus in bus 24 op weg naar huis. Halverwege de rit, ter hoogte van de Frederik Hendriklaan, stapte er een oudere heer in de bus. Gewillig liet hij de buschauffeur zijn buskaart zien, strompelde met zijn wandelstok de bus in en kwam naast ons zitten. Wij keken even opzij. De man was duidelijk van enige stand: goedgekleed, een lange, maar goed bijgehouden baard en een bepaalde air over zich, die men alleen bij dat soort Heeren waarneemt.

“Het is maar voor één halte hoor!”, meldde hij, zich haast excuserend voor het feit dat hij naast ons had plaatsgenomen. Wij knikten vriendelijk en begripvol. “Dan hoef ik dat hele stuk niet te lopen.”, legde hij verder uit. Wij voelden aan dat wij niet meer konden volstaan met een knikje. “Ja, het is toch nog een flink stuk”, brachten wij uit, weinig toevoegend aan het gesprek. Toch weerhield dit de Heer er niet van een verdere verklaring af te leggen over de achtergrond van deze korte busrit. “Ik loop de laatste jaren niet meer zo goed. Vanwege mijn knie, hè. Die wil niet meer zo. Maar ach, ik ben ook al 87.” Met zijn wandelstok maakte hij een wijzend gebaar naar zijn rechterknie. “Maar als mijn knie geen zeer zou doen, dan zou ik nog prima kunnen lopen hoor!” Tegen deze met levensoptimisme doordrenkte drogreden konden wij niet op. De Heer rechtte zijn schouders en even flitste er iets in zijn ogen. “Ik had altijd het record!”, zei hij plots. Hij sprak het uit alsof het een schande zou zijn, als wij niet zouden weten welk record het hier betrof. “Er was geen mens sneller dan ik. Op de 100 meter was ik onverslaanbaar. Er zijn er veel geweest die het geprobeerd hebben, maar op de HBS was er gewoon niemand sneller. Ik had het record!”.  Trots straalde uit het Heerschap. Hij staarde fier voor zich uit, duidelijk verzonken in gedachten aan de Dagen van Weleer. De volgende halte naderde. Met een vriendelijke, knikkende groet stond de man op, en verliet de bus. Wij keken hem na terwijl hij de Houtrustbrug opliep in richting van de Van Boetzelaerlaan.

Wij bleven nog een paar haltes zitten. In gedachten. Zojuist hadden wij een ontmoeting gehad met de snelste man van de HBS. De recordhouder. Nooit was hij verslagen. HBS-en bestaan niet meer sinds 1968, dus niemand zou hem dit ooit meer afnemen. Wij peinsten verder. Hoe zou het zijn als wij oud zijn? Welke dingen uit ons leven zouden ons nog van trots vervullen en waarvan zouden wij nog fier vooruit kijken? Een tweede plaats bij het Amsterdams Kleinkunst Festival? De hoogtijdagen van de rockformatie The Masters Of Disaster? Of zouden wij nog iets doen  in ons leven dat dit gevoel met zich zou brengen?

Eén ding was zeker: wij zouden nooit de snelste man van de HBS worden! Even werden wij vervuld van spijt en weemoed. Wij stelden onszelf voor op een vergeelde zwartwitfoto. Het haar keurig in een scheiding, de lederen sportschoenen nauwkeurig vastgestrikt. Onze handen achter de lijn in het vochtige gras. Klaar voor de start. Wij keken even op. Onze vrinden hadden zich verzameld achter ons en langs het honderd meter lange parcours, gekleed in driedeel of met een sportieve overgooier boven de strakgeperste pantalon. Ongetwijfeld hadden zij een daalder of twee ingezet op de beoogde winnaar van deze strijd. Wij keken opzij. Daar zat hij, de recordhouder. Zijn gezicht met baard al net zo oud als toen hij zojuist nog naast ons in de bus zat, maar zijn kuiten en bovenbenen strak afgetraind en gespannen als een snaar voor het startsein. De blik van een kampioen in zijn ogen. Wij beseften dat wij bij voorbaat kansloos zouden zijn. Dit was zijn moment. Hij was de recordhouder. De snelste van de HBS. En daar zou niemand ooit verandering in brengen…

 

The Spencer Davis Group – Keep On Running

 

Bryan Adams – Run To You

 

Van Halen – Running With The Devil