The Temple Bar is dan de meest bekende pub van Dublin, maar helaas weten de vrijgezellenfeestjes die met RyanAir de stad invliegen dat ook. Op aanraden van de taxichauffeur zetten wij de volgende avond koers voor O’Donoghue’s aan Merrion Row: de kroeg waar ooit de Dubliners zijn begonnen.

Eigenlijk is het van binnen niet eens een uitzonderlijk mooi café: veel hout, paar spiegeltjes, vergeelde foto’s aan de muur, wat gammel meubilair. Na twee pints Guinness te hebben bemachtigd vinden mevrouw Zutphen en ik achterin twee zitplaatjes op de bank.

Naast ons een viertal heren van uiteenlopende leeftijd en uiterlijk: een keurige yup uit de Tommy Hilfiger catalogus; een zeeman met pensioen en bijbehorende grijze baard en tattoos; een wat vettige computernerd; en een kaalgeschoren marinierstype.

Halverwege de pint verschijnt er een Keltische prinses, met weelderige rode krullen, dito bleek decolleté en betoverende groene ogen. Zonder plichtplegingen voegt zij zich bij de heren, en haalt een grote tamboerijn uit haar schoudertas. De heren legen hun glazen en trekken een banjo, een viool, een banjo en een gitaar van onder de bank.

De yup zet in, daar op de heilige grond zelf, met de moeder van alle pubsongs:

Na het applaus begint een willekeurige bezoeker het verhaal van Paddy die, op de vlucht voor honger en onderdrukking, naar Amerika emigreert om aan de spoorlijn te werken. In het tweede refrein valt het jammende vriendengroepje bij:

Als de Keltische prinses begint te vertellen over de zigeuner die een jonge maagd schaakt, krijgt zij spontaan ondersteuning van een dame van middelbare leeftijd in de hoek van de ruimte:

De banjo en de viool beginnen een instrumentale reel. Wat is dit magisch. Ontroerend en hartverwarmend. Wij halen nog maar een Guinness: dit wordt een lange avond.